Pop / Rock Dance Hiphop Jazz Wereld Klassiek Hedendaags Podia Festivals Genreboom

twaalftoonsmuziek en seriële muziek

Overzicht | Geschiedenis | Lijst | Podia | Festivals

Gerelateerd

hedendaags

Uitgelicht

Konrad Boehmer

Geschiedenis

Twaalftoonsmuziek is gebaseerd op de gelijkwaardigheid van alle twaalf tonen van de chromatische toonladder – en dus niet op de klassieke tonaliteit, waarin een grondtoon de harmonische samenhang bepaalt. De aartsvader ervan is Arnold Schönberg, al deden verscheidene eerdere componisten voorbereidend werk door de klassieke tonaliteit geleidelijk los te laten (in de late werken van Franz Liszt al is soms geen sprake meer van een duidelijke grondtoon). Schönberg, opgegroeid in de laat-romantische traditie, zocht een alternatief voor de klassieke majeur/mineur-tonaliteit. Zijn uitgangspunt was wat hij 'de emancipatie van de dissonant' noemde. Een dissonant diende van oudsher om een moment van onrust en beweging op te roepen, een kortstondige spanning die even later in een welluidend akkoord oploste. Schönberg hief dat tijdelijke karakter op, met als resultaat een voortdurend veranderende, naar evenwicht zoekende muzikale beweging. Een nieuw geluid, dat helemaal paste bij het experiment-gerichte culturele leven in Wenen rond de eeuwwisseling (andere ...
Lees meer...

Konrad Boehmer

Konrad Boehmer is componist, cultuurwetenschapper en bestuurder. Hij publiceert vele muziekwetenschappelijke artikelen en essays over uiteenlopende onderwerpen (waaronder het serialisme, het componeren van elektronische muziek, cultuurpolitiek, het muziekleven in Europa en muzieksociologie). Daarnaast bekleedt Boehmer vele bestuursfuncties, waaronder bij het Geneco en Buma/Stemra. Boehmer is componist van zowel puur elektronische ... Lees meer...

Geschiedenis van Twaalftoonsmuziek En Seriële Muziek

Twaalftoonsmuziek is gebaseerd op de gelijkwaardigheid van alle twaalf tonen van de chromatische toonladder – en dus niet op de klassieke tonaliteit, waarin een grondtoon de harmonische samenhang bepaalt. De aartsvader ervan is Arnold Schönberg, al deden verscheidene eerdere componisten voorbereidend werk door de klassieke tonaliteit geleidelijk los te laten (in de late werken van Franz Liszt al is soms geen sprake meer van een duidelijke grondtoon). Schönberg, opgegroeid in de laat-romantische traditie, zocht een alternatief voor de klassieke majeur/mineur-tonaliteit. Zijn uitgangspunt was wat hij 'de emancipatie van de dissonant' noemde. Een dissonant diende van oudsher om een moment van onrust en beweging op te roepen, een kortstondige spanning die even later in een welluidend akkoord oploste. Schönberg hief dat tijdelijke karakter op, met als resultaat een voortdurend veranderende, naar evenwicht zoekende muzikale beweging. Een nieuw geluid, dat helemaal paste bij het experiment-gerichte culturele leven in Wenen rond de eeuwwisseling (andere uitingen daarvan waren de schilderijen van Gustav Klimt en Oskar Kokoschka en de psychologische inzichten van Sigmund Freud). Uit die aanvankelijke 'vrije atonaliteit' ontwikkelde Schönberg spoedig zijn 'twaalftoonsmethode'. Bij elke compositie zette hij vooraf alle twaalf noten van de chromatische toonladder in een gekozen volgorde, en die toonreeks bepaalt koers en samenhang van het stuk: elke toon wordt pas herhaald als de andere elf geklonken hebben (in een melodische lijn of in een akkoord). Wel kan de toonreeks in omgekeerde volgorde klinken (de 'kreeftgang') of in spiegelbeeld (waarbij een stijgend interval tussen twee noten dalend wordt, en omgekeerd), of in een combinatie van die twee. Het leverde wonderlijke, onthechte muziek op die aanvankelijk veel weerstand en onbegrip opriep, ondanks het feit dat Schönberg qua dramatische expressie en beweging dicht bij Brahms en andere romantici bleef. Schönbergs belangrijkste volgelingen waren Alban Berg en Anton Webern, en gedrieën vormden zij wat de 'Tweede Weense School' ging heten (de eerste was die van Haydn, Mozart en Beethoven). Berg wist Schönbergs methode een opmerkelijke lyriek en harmonische warmte mee te geven. Webern, Schönbergs meest voortvarende leerling, ontdeed de twaalftoonsmuziek juist van alle romantische gevoelsexpressie. Zijn totaal abstracte toonorganisatie werd na de Tweede Wereldoorlog een voorbeeld voor jonge wederopbouw-componisten, waaronder Pierre Boulez, Karlheinz Stockhausen en Luigi Nono. Vooral Boulez trok de uiterste consequenties uit Weberns werkwijze door niet alleen een vooraf bepaalde twaalftoonsreeks als uitgangspunt te nemen, maar ook een streng georganiseerd plan van toonduur, dynamiek en expressie. Dit zogeheten serialisme, een nieuwe muzikale 'grammatica' zonder ouderwetse elementen, was een typische uiting van naoorlogse vernieuwingsdrift en bleef tot in de jaren 1970 een ijkpunt voor de meeste Europese componisten. In Nederland is Kees van Baaren (1906-1970) de eerste componist en compositiedocent die de twaalftoonsmuziek en het serialisme propageert (waarbij hij overigens minder streng en dogmatisch te werk gaat als Boulez en Nono). Van Baaren krijgt gevolg bij zijn leerlingen Theo Bruins (1929-1993) en Jan van Vlijmen (1935-2004); vooral de laatste bleef Van Baarens uitgangspunten het langst trouw. Peter Schat (1935-2003), een andere Van Baaren-leerling, keert zich na vervolglessen bij Pierre Boulez tegen het serialisme ('te kil') en ontwerpt uiteindelijk een eigen componeersysteem met een welluidender, harmonisch 'warmere' klank dat hij 'de Toonklok' noemt. In de jaren 1970 taande de invloed van het serialisme en neigden componisten steeds meer naar een minder strenge schrijfwijze en een toegankelijker klankidioom.

0 a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z *

 

w
 
Muziekencyclopedie.nl op Facebook Muziekencyclopedie.nl op Twitter

reageer